Begrippen    > begin website <  

Elke dag gaan meer dan anderhalf miljoen kinderen naar de basisschool of het speciaal onderwijs: dat is bijna 1 op de 10 inwoners. De verzamelnaam voor deze vormen van onderwijs is primair onderwijs. Hier zetten kinderen hun eerste stap in het leren op school. Leren ze rekenen en schrijven, omgaan met elkaar. Worden ze uitgedaagd en geprikkeld. Door de hele school heen worden toetsen afgenomen om de vorderingen van de leerlingen te kunnen volgen. Maar het is de gehele samenleving die kinderen vormt en opleidt. Sámen met de ouders en onder andere welzijns-, sport- en zorgvoorzieningen biedt het primair onderwijs kinderen de kans zich zo goed mogelijk te ontwikkelen.
 
ADAPTIEF ONDERWIJS MOBILITEITSPLAN
CAO PRIMAIR ONDERWIJS PASSEND ONDERWIJS
CITO-TOETS  PC-PRIVE REGELING
FIETSREGELING RUGZAK
INFORMATIE- EN COMMUNICATIETECHNOLOGIE (ICT) SCHAKELKLAS
INSPECTIE  SCHOLINGSBELEID
INTEGRAAL PERSONEELSBELEID (IPB) SCHOOLBUDGET (O&O-GELDEN)
KERNDOELEN SCHOOLZWEMMEN
LEERLINGENSTATUUT VEILIGE SCHOOL
LEERPLICHT VAKANTIE BUITEN DE VAKANTIES OM
LESUREN VOOR- EN NASCHOOLSE OPVANG
LUMPSUM VOOR- EN VROEGSCHOOLSE EDUCATIE (VVE)
LWOO WEER SAMEN NAAR SCHOOL (WSNS)
MEDEZEGGENSCHAP WET BIO 
Wilt u meer informatie over bovenstaande begrippen of andere onderwerpen, die met het primair onderwijs te maken hebben, surf dan naar: http://www.minocw.nl/onderwijs/primaironderwijs.html
 

p    ADAPTIEF ONDERWIJS
Adaptief onderwijs is onderwijs dat is aangepast aan de mogelijkheden en behoeften van de individuele leerling. Het gaat dus om een kindgerichte aanpak van het onderwijs, die vooral door de invoering van de basisschool in 1985 en het project “Weer Samen Naar School” sterk aan betekenis heeft gewonnen. Voorwaarde is een positief pedagogisch klimaat en het nemen van concrete onderwijsmaatregelen zoals differentiatie en het verlenen van orthodidactische hulp.
  
p    CAO ONDERWIJS 
De CAO Onderwijs is het resultaat van onderhandelingen tussen de minister van Onderwijs en de centrales voor Overheids- en Onderwijspersoneel. Overleg over secundaire arbeidsvoorwaarden is ‘gedecentraliseerd’; hierover wordt door de centrales rechtstreeks onderhandeld met de werkgevers(-organisaties). Dit resulteert in zgn. sector-CAO’s, bijvoorbeeld de CAO Primair Onderwijs (CAO PO). In deze sector-CAO worden afspraken gemaakt over werktijden, taakbelasting, verlof en andere secundaire arbeidsvoorwaarden. Download >> hier << de CAO-PO voor 2002-2004 (Word-document).
 
p    CITO-TOETS
Alhoewel een eindtoets niet is verplicht, maken jaarlijks veel basisschoolleerlingen in groep acht de citotoets. Deze eindtoets basisonderwijs wordt ontwikkeld door de Citogroep. De toets geeft informatie over de kennis van de individuele leerling en scholen kunnen de toets gebruiken om hun schoolresultaten te vergelijken met andere scholen. Verder gebruiken de basisscholen de uitkomst van de toets, naast het oordeel van de leraar, meestal als onderdeel van het onderwijskundig rapport dat zij als advies voor het voortgezet onderwijs moeten opstellen.
 
p    FIETSREGELING
De belasting(dienst) biedt de werkgever de mogelijkheid zijn werknemers een fietsregeling aan te bieden. Dat wil zeggen dat er voor werknemers die vaak met de fiets naar hun werk komen, een fiscaal voordelige regeling mogelijk is voor het aanschaffen van een fiets. Om in aanmerking te komen voor deze regeling moet de werknemer een zgn."fietsverklaring" invullen. Daarin verklaart de werknemer dat hij/zij minstens de helft van het aantal keren van het woon-werkverkeer gebruik maakt van de fiets. De werkgever bevestigt deze verklaring. Download >> hier << meer informatie over de regeling (PDF-document).
 
p    INFORMATIE- EN COMMUNICATIETECHNOLOGIE (ICT)
Het computergebruik op school wordt steeds normaler en neemt nog steeds toe. Die toename sluit uitstekend aan bij de vernieuwingen in het onderwijs. Daarom verschuift het doel van informatie- en communicatietechnologie (ict) in het onderwijs van de invoering naar verbetering van het gebruik in de praktijk. Concreet komt het accent te liggen op de verdere scholing van docenten, stimulering van samenwerking, het beschikbaar en toegankelijk maken van voldoende educatief lesmateriaal en aansluiting van scholen op kennisnet.
 
p    INSPECTIE
De Inspectie van het Onderwijs bewaakt de kwaliteit van het onderwijs op scholen en onderwijsinstellingen. De inspectie gaat na of leerlingen leren wat ze moeten leren en of ze passende begeleiding krijgen. Om dat te kunnen beoordelen legt de inspectie schoolbezoeken af. Dat doet ze op een systematische en open manier. Dat wil zeggen: de inspectie plant jaarlijks de schoolbezoeken; scholen weten wanneer de inspectie op bezoek komt; scholen weten waar het toezicht uit bestaat; de inspectie legt de resultaten van een bezoek vast in een openbaar schoolrapport.
  
p    INTEGRAAL PERSONEELSBELEID (IPB)
Door een goed personeelsbeleid te voeren, werken mensen met meer plezier op een school en wordt het aanzien van het onderwijs verbeterd. IPB gaat uit van de opvatting dat de mensen het kapitaal van een organisatie vormen. Door mensen perspectief en persoonlijke groei te bieden, kun je personeel vasthouden en werven. Integraal Personeelsbeleid wordt omschreven als "het systematisch in beeld brengen en afstemmen van de kennis en bekwaamheden van het personeel op de door henzelf geformuleerde onderwijsinhoudelijke doelen en de doelen van de organisatie.
"
 
p    KERNDOELEN
Wat moet een leerling aan het eind van de basisschool kennen en kunnen? Dat staat beschreven in kerndoelen. Er zijn kerndoelen voor vakken - zoals Nederlands - en voor algemene vaardigheden, bijvoorbeeld sociaal gedrag. Bepalend voor de inhoud van de kerndoelen is de vraag wat een leerling aan kennis en vaardigheden nodig heeft voor een succesvolle toekomst in vervolgonderwijs en maatschappij. Momenteel worden de kerndoelen, op onder andere dit punt, herzien. Daarbij is het belangrijk een goede balans te vinden tussen een brede algemene vorming enerzijds en keuzeruimte voor scholen anderzijds.
 
p    LEERLINGENSTATUUT
Het leerlingenstatuut is een reglement van de school waarin de rechten en plichten van alle leerlingen staan. Het leerlingenstatuut is een openbaar stuk. Het moet dan ook op school ter inzage liggen. Download >> hier << het Leerlingenstatuut (Word-document)
 
p    LEERPLICHT
Kinderen in Nederland hebben de plicht om naar school te gaan. Een kind mag naar school op de dag dat het 4 jaar wordt. Een kind moet naar school op de eerste dag van de nieuwe maand na zijn of haar vijfde verjaardag. Als een kind bijvoorbeeld in maart vijf jaar wordt, moet het op 1 april van dat jaar naar school. De volledige leerplicht duurt tot en met het schooljaar waarin de jongere zestien wordt. Een jongere die bijvoorbeeld in maart 16 is geworden, is verplicht het schooljaar af te maken. Het wetsvoorstel om de leerplicht te verlagen van 5 naar 4 jaar wordt ingetrokken.
De leerplichtverlaging gaat dus niet door.
 
p    LESUREN
In het basisonderwijs mogen leerlingen niet meer dan 5,5 uur per dag naar school. Bovendien geldt voor leerlingen uit de groepen één tot en met vier dat zij minimaal 3520 uur onderwijs krijgen in die eerste vier jaar. Voor leerlingen uit de groepen vijf tot en met acht is dat minimaal 4000 uur in de laatste vier jaar op de basisschool.
 
p    LUMPSUM
In het primair onderwijs wordt per 1 augustus 2006 lumpsumfinanciering ingevoerd. Met de invoering van lumpsum geeft de overheid bestedingsvrijheid aan scholen. Schoolbesturen krijgen een bepaald bedrag en maken zelf uit hoe ze dat besteden. Zo kunnen scholen hun beleid en onderwijs beter afstemmen op de situatie op en rond de school. De invoering van lumpsum in het primair onderwijs maakt deel uit van een breed pakket maatregelen onder de noemer ‘Autonomievergroting en deregulering’.
  
p    LWOO
Het leerwegondersteunend onderwijs is bedoeld voor leerlingen die extra begeleiding behoeven in een van de leerwegen van het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs. De leerling moet een leerachterstand van minstens 1 1/2 jaar hebben op tenminste twee van de vier domeinen: inzichtelijk rekenen, begrijpend lezen, technisch lezen en spelling. Ook telt een leerachterstand t.g.v. sociaal-emotionele problematiek. Voor VMBO-scholen is de LWOO-indicatie van belang omdat ze van de overheid extra geld krijgen voor het verlenen van extra begeleiding. In het laatste jaar van de basisschool vindt een toets plaats op de school voor voortgezet onderwijs waar hij/zij zal worden aangemeld.
 
p    MEDEZEGGENSCHAP
Op elke school worden ingrijpende beslissingen genomen. Beslissingen die te maken hebben met het onderwijs dat wordt gegeven of beslissingen die te maken hebben met de school. Het ministerie van OCW vindt het belangrijk dat alle betrokkenen hierover zoveel mogelijk kunnen meepraten. Daarom beschikken scholen over een medezeggenschapsraad. De medezeggenschapsraad bestaat uit vertegenwoordigers van het personeel, de ouders en/of de leerlingen. Elk belangrijk besluit dat het bestuur wil nemen, moet worden voorgelegd aan de medezeggenschapsraad. Op zijn beurt kan de medezeggenschapsraad elk standpunt dat hij heeft, kenbaar maken aan het bestuur. Gevraagd en ongevraagd. Gezamenlijke zaken die alle Hervormde Scholen aan gaan worden besproken in de Gemeenschappelijke Medezeggenschapsraad (GMR). Hierin hebben vertegenwoordigers uit alle medezeggenschapsraden zitting.
 
p    MOBILITEITSPLAN
Het bestuur van de Stichting Hervormde Scholen te Katwijk aan Zee heeft voor haar personeelsleden een mobiliteitsplan opgesteld ter voorkoming van gedwongen ontslagen of werkloosheid, ten behoeve van het terugdringen van het ziekteverzuim en ter bevordering van een flexibele organisatie. Mobiliteit geschiedt in beginsel op vrijwillige basis. Tijdens de functioneringsgesprekken die met de schooldirecteuren plaatsvinden, dient aandacht te worden besteed aan mobiliteit, zowel binnen als buiten de betreffende school. Zo kan een personeelslid op eigen verzoek worden overgeplaatst naar een andere onder het bestuur ressorterende school en worden vacatures op de Hervormde Scholen in eerste instantie door het eigen personeel vervuld. Het bestuur verleent tevens medewerking wanneer een personeelslid de carrière op een andere school wil voortzetten.
  
p    PASSEND ONDERWIJS
In de wet wordt geregeld dat schoolbesturen vanaf 2010 een zogenaamde “zorgplicht” krijgen. Dat houdt in dat zij verantwoordelijkheid opgelegd krijgen om voor alle leerlingen onderwijs te bieden dat bij hen past. Dus ook voor de leerlingen die extra zorg nodig hebben. Als de school waar het kind is aangemeld zelf de extra zorg niet geven kan, moet zij zoeken naar een andere school die dat wel kan.
 
p    PC-PRIVE
De pc-privéregeling, gestart op 1 januari 2001 is op 27 augustus 2004 weer afgeschaft. Met de regeling kon fiscaal gunstig een pc en randapparatuur worden aangeschaft.
    
p    RUGZAK (LGF)       
De Rugzak is een andere naam voor de wet op de leerlinggebonden financiering (lgf-wet). Deze wet geeft ouders van een kind met een handicap het recht om die school voor hun kind te kiezen die zij het meest geschikt vinden. Dat kan een reguliere (gewone) school zijn of een school voor speciaal onderwijs. De Rugzakwetgeving is bedoeld voor kinderen in het basis- en voortgezet onderwijs
en is gericht op onderwijskundige ondersteuning.

 

p    SCHAKELKLAS
Maximaal 15 basisschoolleerlingen met een grote taalachterstand zitten gedurende één schooljaar in een aparte klas, waar ze intensief taalonderwijs volgen. Het doel van een schakelklas is om de taalachterstand te verminderen, waardoor de kans op een succesvolle schoolcarrière groter en het risico van schooluitval kleiner wordt. Op de protestants-christelijke Prins Mauritsschool in Katwijk is een schakelklas gestart voor leerlingen uit de groepen 1 tot en met 8 van het basisonderwijs. De klas is opgezet als gemeentebrede voorziening en heeft dit schooljaar 15 leerlingen, verdeeld over vier niveaus.
 
p    SCHOLINGSBELEID
In het onderwijs zijn, vooral voor leerkrachten, de verticale ontwikkelingsmogelijkheden betrekkelijk gering. Loopbaanontwikkeling moet in het algemeen dan ook meer gezocht worden in "horizontale ontplooiing": verdieping en specialisatie binnen het eigen vakgebied. Hierdoor blijft men als vakbeoefenaar in ontwikkeling en kan het leraarschap blijvend bevrediging bieden. Nascholingsfaciliteiten zijn bij uitstek geschikt om deze horizontale ontplooiing mogelijk te maken. Dat is een van de redenen waarom nascholing een vaste activiteit behoort te zijn, die binnen de activiteitenplanning om permanente aandacht vraagt. Onder scholing verstaan we alle activiteiten die tot doel hebben kennis en vaardigheden van personeelsleden te verbeteren en verder te ontwikkelen.
  
p    SCHOOLBUDGET VOOR ONTWIKKELING EN ONDERSTEUNING (O&O-GELDEN)
Sinds 1 augustus 2001 kennen we het zogenoemde schoolbudget. Naast extra vergoedingen op basis van het schoolgewicht of het aantal cumi-leerlingen, krijgen de scholen in het primair onderwijs in het komend schooljaar een bedrag per leerling. Dit geld is voor iedere school vrij besteedbaar, mits het wordt bestemd voor personele doeleinden. Enkele voorbeelden daarvan zijn: kosten voor ondersteunend personeel, kosten voor leraren-in-opleiding en hun begeleiders, gratificaties en extra periodieke verhogingen, functiedifferentiatie, extra salariskosten in verband met betaald ouderschapsverlof, nascholing en deskundigheidsbevordering van personeel, integraal personeelsbeleid.
   
p    SCHOOLZWEMMEN
Op de meeste basisscholen in Nederland is schoolzwemmen al ingevoerd. Toch blijken veel kinderen op die scholen geen zwemdiploma te hebben als ze de school verlaten. Vanaf 2002 geeft het ministerie gemeenten daarom extra geld om te bevorderen dat alle kinderen een zwemdiploma hebben als ze de basisschool verlaten. Met dat geld kunnen gemeenten meer zwemlessen geven aan kinderen die problemen hebben met leren zwemmen. Ook mogen zij het geld gebruiken om ouders door voorlichting ertoe te bewegen hun kinderen al op jonge leeftijd te leren zwemmen. De regeling geldt voorlopig voor drie jaar. In eerste instantie komen alleen de 36 gemeenten in aanmerking waar de meeste kinderen zonder zwemdiploma de basisschool verlaten.
 
p    VEILIGE SCHOOL
Veilige scholen zijn scholen waar kinderen veilig zíjn en waar zij zich veilig vóelen. Veiligheid op school is dus meer dan veilige speeltoestellen en een brandalarm - de fysieke veiligheid. Een veilige school is bijvoorbeeld ook een school waar voorkomen wordt dat kinderen elkaar pesten of discrimineren. En op een veilige school werken leerlingen samen met docenten en ouders aan een goed sociaal klimaat - sociale veiligheid. Het Ministerie ondersteunt scholen bij het verbeteren van alle vormen van veiligheid, onder meer met campagnes als 'De veilige school', gericht op sociale veiligheid op middelbare scholen, of 'Veiligheid op de basisschool: werken aan een school zonder ongelukken', gericht op fysieke veiligheid op basisscholen
 
p    VAKANTIE BUITEN DE VAKANTIES OM
Als een leerling gegronde redenen heeft om meer dan tien dagen te verzuimen binnen een schooljaar, dan moet de leerplichtambtenaar daarvoor toestemming geven. Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente neemt de
uiteindelijke beslissing. Als het gaat om vakantie buiten de schoolvakanties om, dan mag de schooldirecteur slechts één keer per schooljaar vrij geven voor maximaal tien dagen. Deze regeling is bovendien uitsluitend bestemd voor kinderen van ouders met een beroep dat het onmogelijk maakt binnen de vastgestelde schoolvakanties met vakantie te gaan, denk aan de agrarische sector of de horeca.
 
p    VOOR- EN NASCHOOLSE OPVANG
Vanaf 1 januari 2007 wordt het schoolbestuur verantwoordelijk voor het (laten) organiseren van de voor- en naschoolse opvang tussen 7.30 uur en 18.30 uur. Het schoolbestuur kan de opvang van de leerlingen op verschillende manieren verzorgen. Het uitgangspunt is de wens om de arbeidstijden van werkende ouders en de schooltijden van de kinderen goed op elkaar te laten aansluiten.
   
p    VOOR- EN VROEGSCHOOLSE EDUCATIE (VVE)
Te vaak beginnen kinderen in groep één van de basisschool al met een flinke (taal)achterstand ten opzichte van hun leeftijdgenootjes. Dat slechte begin werkt vaak de hele schoolloopbaan door en beïnvloedt uiteindelijk ook de latere maatschappelijke positie. Een vroege aanpak van (dreigende) achterstanden is dus geboden. Doel van de voor- en vroegschoolse educatie (VVE) is dat kinderen met zo min mogelijk achterstand in groep drie van het basisonderwijs beginnen. Met andere woorden, met VVE maken zij een goede start. VVE is onderdeel van het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid. Het VVE-beleid valt onder de verantwoordelijkheid van de ministeries van OCW en VWS.
 
p    WEER SAMEN NAAR SCHOOL (WSNS)
Ongeveer één op de vijf kinderen op de basisschool heeft gedurende korte of langere tijd extra zorg en begeleiding nodig. Ze hebben bijvoorbeeld moeite met leren of gedrags- en opvoedingsproblemen. Maar ook hoogbegaafde leerlingen vragen specifieke aandacht. Doel van Weer Samen Naar School is dat kinderen de zorg en begeleiding die ze nodig hebben zo veel mogelijk op de basisschool krijgen en daarvoor niet naar een andere school moeten. Als blijkt dat het op de basisschool toch niet goed lukt, gaan kinderen - liefst tijdelijk - naar een speciale school voor basisonderwijs. 
 
p    WET BIO (WET OP DE BEROEPEN IN HET ONDERWIJS)
De Wet BIO -ingaand op i augustus 2006- zorgt ervoor dat elke leraar (en straks ook onderwijsondersteuner en schoolleider) beschikt over een basispakket aan vaardigheden. Het doel van de wet is de kwaliteit van ons onderwijs blijvend te garanderen. Het is de bedoeling dat de scholen vanaf 1 augustus 2006 een bekwaamheidsdossier bijhouden van elke leraar. In dit dossier worden de resultaten opgenomen van de afspraken die de werkgever met de leraar maakt over het ontwikkelen en onderhouden van diens bekwaamheid. Het kan gaan om het volgen van een cursus, maar bijvoorbeeld ook om coaching, teamgesprekken of leren op de werkplek. Elk getuigschrift dat na deze datum wordt uitgereikt, garandeert dat de eigenaar voldoet aan dit vastgestelde pakket aan basisvaardigheden.